De 4-procentregel is een van de meest geciteerde vuistregels in de wereld van financiele onafhankelijkheid. Het idee is verleidelijk eenvoudig: neem in je eerste rentenierjaar 4 procent van je vermogen op, indexeer dat bedrag daarna jaarlijks aan de inflatie, en je geld gaat statistisch gezien lang genoeg mee. Maar een regel die in een specifieke context is bedacht, verhuist niet vanzelf naar een Belgische portefeuille. De vraag is dus niet of de regel klopt, maar of ze bruikbaar is voor iemand die hier woont, hier belastingen betaalt en hier oud wordt.
De 4-procentregel stamt uit Amerikaans academisch en praktijkgericht onderzoek naar veilige opnamevoeten. De kern van dat onderzoek: men testte historische opnames op portefeuilles en keek hoeveel procent je maximaal kon opnemen zonder dat het geld voortijdig opraakte. Uit die simulaties rolde ongeveer 4 procent als het cijfer dat in vrijwel alle onderzochte startjaren overeind bleef.
Belangrijk zijn de aannames onder die conclusie:
Verplaats die aannames naar Belgie en er ontstaat wrijving op vier fronten.
De 4 procent is een brutocijfer. Een Belgische rentenier houdt niet alles. Op dividenden en op de rente uit veel beleggingsproducten geldt in principe roerende voorheffing (het standaardtarief bedraagt 30 procent, controleer altijd de actueel geldende tarieven en vrijstellingen). Ook de beurstaks bestaat en verschilt per instrument. Wie zijn opnames deels uit belastbare inkomsten haalt, moet die heffingen mee incalculeren. Netto 4 procent besteedbaar houden vereist dus vaak een hoger bruto onttrekkingspercentage, of een structuur die fiscaal efficienter opneemt. Hoeveel vermogen je werkelijk nodig hebt, hangt daarom sterk af van de fiscale kant van je onttrekking, iets wat we uitwerken in hoeveel vermogen nodig om te stoppen met werken.
De oorspronkelijke regel rekende met dertig jaar. Wie op relatief jonge leeftijd stopt met werken, of gewoon lang leeft, kijkt naar veertig jaar of meer. Hoe langer de horizon, hoe kleiner de veilige opnamevoet, want de portefeuille moet meer slechte periodes overleven. Voor de gemiddelde rentenier met een ruime tijdshorizon is 4 procent daarom eerder een bovengrens dan een comfortabel middenveld.
De regel leunt op een periode met sterke aandelenrendementen en een obligatiedeel dat nog behoorlijk opbracht. In fases met lage rente levert het defensieve deel van een portefeuille weinig op, terwijl inflatie ondertussen aan de koopkracht knaagt. Reken je met voorzichtiger toekomstige rendementen dan de historische Amerikaanse gemiddelden, dan verschuift de veilige voet naar beneden. Wie de impact van geldontwaarding onderschat, komt bedrogen uit, zoals we tonen in het stuk over inflatie.
Dit is misschien het meest onderschatte risico. Twee renteniers kunnen exact hetzelfde gemiddelde rendement halen over hun hele periode, en toch heel anders eindigen. Wie in zijn eerste jaren een forse marktdaling meemaakt terwijl hij tegelijk opneemt, verkoopt aandelen op een laag punt en verkleint de basis die later moet herstellen. Wie de zwakke jaren pas laat tegenkomt, komt er veel beter uit. Deze volgorde van de rendementen laat zich niet vangen in een gemiddelde, en een vaste 4-procentopname houdt er geen rekening mee.
Stel dat iemand een vermogen heeft en er bruto 4 procent uit opneemt. Als een flink deel van die opname uit belastbare dividenden komt, kan de netto besteedbare stroom merkbaar lager uitvallen dan de bruto 4 procent doet vermoeden. Dit is louter een illustratie om het mechanisme te tonen, geen belofte over uitkomst: de werkelijke cijfers hangen af van je productmix, je fiscale situatie en de marktomgeving. Wie liever op een kasstroom stuurt in plaats van op verkopen, vindt bij leven van dividend een alternatieve invalshoek, met eigen voor- en nadelen.
De 4-procentregel verdient geen minachting en geen blind vertrouwen. Als ruw kompas voor de vraag hoe groot een vermogen ongeveer moet zijn, is ze uitstekend: ze dwingt je om vermogen en gewenst inkomen met elkaar te verbinden. Als harde belofte dat je geld het zeker uithoudt, is ze te gammel voor de Belgische praktijk.
Het redelijke antwoord is genuanceerd. Behandel 4 procent als een startpunt en bouw er een marge in: reken bruto versus netto zorgvuldig door, hanteer een lagere voet bij een lange horizon, en wees flexibel. Wie in slechte beursjaren zijn opnames tijdelijk kan bijstellen, verkleint het volgorderisico aanzienlijk. Het hangt dus af van je horizon, je fiscale mix en je bereidheid om je opnames mee te laten ademen met de markt. Als vuistregel om mee te beginnen: nuttig. Als garantie om blind op te varen: onverstandig.
Dit artikel is financiele informatie en journalistiek, geen gereglementeerd beleggingsadvies.